Naar de inhoud
Angela SchoolAlles over school, opvoeding en spelen

Deelsommen in groep 5 oefenen met handige stappen en voorbeelden

Je kind krijgt deelsommen op school en wil weten welke aanpak werkt. Met de voorbeelden hieronder oefen je delen als eerlijk verdelen, koppel je de som aan een keersom en controleer je of het antwoord klopt.

Door Anouk Veldman · · 5 min leestijd

Schoolbank met drie setjes houten blokjes (elk vier blokjes) en een potlood

Een deelsom kan op papier abstract lijken: welk getal hoort bij het deelteken en hoe vind je de uitkomst? Begin met een herkenbare situatie, zoals koekjes verdelen of potloden in gelijke groepjes leggen. Zo wordt duidelijk wat de som vraagt, voordat je met getallen rekent.

De leerdoelen verschillen per methode en leerling. SLO beschrijft voor groep 5 en 6 onder meer dat kinderen de relatie tussen delen en vermenigvuldigen verkennen en deelproblemen in praktische situaties leren oplossen. Hieronder staan verschillende manieren om dat te oefenen, met sommen die je samen stap voor stap kunt uitwerken.

Wat betekent een deelsom in groep 5?

Delen kan betekenen dat je een hoeveelheid eerlijk verdeelt, maar ook dat je uitzoekt hoeveel gelijke groepjes je kunt maken. In 24 : 4 = 6 is 24 het totaal, 4 het aantal per groep of het aantal groepen, afhankelijk van het verhaal, en 6 de uitkomst. De getallen heten respectievelijk deeltal, deler en quotiënt. Het belangrijkste is eerst te bepalen wat de 4 in de situatie voorstelt.

Bij eerlijk verdelen krijgen 4 kinderen samen 24 appels: ieder krijgt 6 appels. Bij groepjes maken gaan 24 appels in zakjes van 4: je hebt 6 zakjes nodig. De som is dezelfde, maar de vraag verschilt. De SLO-uitleg over rekenen in groep 5 en 6 beschrijft hoe leerlingen de relatie tussen delen en vermenigvuldigen verkennen en rekenproblemen in praktische situaties oplossen. De voorbeelden hier zijn oefenmateriaal, geen vaste toetsnorm voor iedere school.

Welke aanpak helpt bij een deelsom?

Kies de aanpak die past bij de getallen én bij wat je kind op school leert. Begin met deze vragen:

Vaak is de keersom een goede eerste stap: bij 32 : 4 zoek je welk getal maal 4 gelijk is aan 32. Omdat 8 × 4 = 32, is 32 : 4 = 8. Zo gebruikt je kind de bekende tafels in omgekeerde richting. SLO noemt het vlot uitrekenen van deelsommen uit de deeltafels en het inzetten van kennis van de vermenigvuldigtabellen als doelen voor groep 5 en 6.

Als een kind de uitkomst nog niet direct ziet, kan het met herhaald aftrekken werken. Bij 20 : 5 trek je steeds 5 af: 20, 15, 10, 5, 0. Dat zijn 4 stappen, dus 20 : 5 = 4. Dit maakt zichtbaar waarom de keersom 4 × 5 = 20 bij de deelsom past.

Hoe reken je deelsommen stap voor stap uit?

Voorbeeld 1: een bekende deeltafel

Reken 42 : 6 uit. Vraag: hoeveel keer past 6 in 42? Gebruik de tafel van 6: 6 × 7 = 42. Daarom is 42 : 6 = 7. Controleer door de uitkomst terug te vermenigvuldigen: 7 groepjes van 6 zijn samen 42.

Voorbeeld 2: splitsen in twee bekende sommen

Bij 56 : 4 kun je 56 splitsen in 40 en 16. Deel beide delen door 4: 40 : 4 = 10 en 16 : 4 = 4. Tel de uitkomsten op: 10 + 4 = 14. Dus 56 : 4 = 14. Controle: 14 × 4 = 56. Deze aanpak helpt als één keersom niet meteen in je opkomt.

Voorbeeld 3: grotere groepjes nemen

Bij 72 : 6 kun je eerst denken aan 60 : 6 = 10. Van 72 blijven dan 12 over; 12 : 6 = 2. Tel de deelantwoorden op: 10 + 2 = 12. Dus 72 : 6 = 12, want 12 × 6 = 72. Maak tussentappen zichtbaar als je kind anders de draad kwijtraakt.

Voorbeeld 4: delen met een rest

Reken 29 : 4 uit. De grootste veelvoud van 4 die niet boven 29 komt is 4 × 7 = 28. Er blijft 29 − 28 = 1 over. De uitkomst is dus 7 rest 1. Controleer: 7 × 4 + 1 = 29. De rest moet kleiner zijn dan de deler: 1 is kleiner dan 4.

Voorbeeld 5: dezelfde rest in een verhaal

Er zijn 25 potloden. In elk bakje passen 6 potloden. Je kunt 4 volle bakjes vullen, want 4 × 6 = 24; er blijft 1 potlood over. De som is 25 : 6 = 4 rest 1. Als de vraag is hoeveel bakjes je nodig hebt om alle potloden op te bergen, zijn er 5 bakjes nodig: het laatste bakje is niet vol. Het antwoord hangt dus af van de vraag, niet alleen van de rekensom.

Voorbeeld 6: controleren of een verdeling klopt

Verdeel 36 kaarten over 9 kinderen. Reken 36 : 9 uit met de tafel van 9: 9 × 4 = 36, dus ieder krijgt 4 kaarten. Controleer het verhaal door terug te rekenen: 9 kinderen × 4 kaarten = 36 kaarten. Als er bij die controle een ander totaal uitkomt, kijk dan opnieuw naar de deling.

Hoe kies je tussen de manieren van rekenen?

Een keersom werkt goed wanneer de getallen bij een bekende tafel horen, zoals 48 : 8 = 6, omdat 6 × 8 = 48. Splitsen is handig als je het deeltal kunt verdelen in stukken die gemakkelijk deelbaar zijn, zoals 56 in 40 en 16. Herhaald aftrekken maakt de betekenis van delen zichtbaar, maar kan omslachtig worden als je veel stappen nodig hebt. Materiaal of een tekening kan helpen wanneer een som nog moeilijk voor te stellen is.

Reken.nl biedt oefenopgaven voor onder meer delen tot 100 en deelsommen met rest. De website beschrijft ook dat de opgaven per vaardigheid zijn ingedeeld; gebruik dat als oefenmogelijkheid, niet als bewijs dat elk kind in groep 5 precies dezelfde stap al moet beheersen. Volg voor de notatie en methode die op school worden gebruikt de uitleg van de leerkracht. Wil je ook bekijken hoe je de schoolkeuze breder kunt aanpakken, dan lees je over een basisschool kiezen die bij je kind past.

Hoe controleer je het antwoord?

Gebruik de keersom om de deling te controleren. Bij een deling zonder rest geldt: uitkomst × deler = deeltal. Bij 63 : 7 = 9 controleer je dus 9 × 7 = 63. Bij een deling met rest geldt: uitkomst × deler + rest = deeltal. Bij 38 : 5 = 7 rest 3 is de controle 7 × 5 + 3 = 38.

Kijk ook of de uitkomst logisch is. Als 24 koekjes eerlijk verdeeld worden over 6 kinderen, kan ieder niet 24 koekjes krijgen: de uitkomst moet kleiner zijn dan het totaal. In een context kan een rest anders behandeld worden dan in een kale som. Bij kinderen die in auto’s worden verdeeld, kan een overgebleven kind betekenen dat een extra auto nodig is; bij potloden die in bakjes gaan, kan er juist één los potlood overblijven.

Oefen liever kort met verschillende soorten vragen dan alleen dezelfde kale sommen achter elkaar. Laat je kind hardop vertellen wat het deeltal en de deler voorstellen, welke aanpak het kiest en hoe het antwoord gecontroleerd is. Als je wilt weten welke rekenvaardigheden de school als volgende oefent, kun je dat navragen bij de leerkracht. Voor context over toetsen in een later leerjaar staat er ook informatie over de Entreetoets in groep 7, maar die toets is geen maatstaf voor wat ieder kind in groep 5 al moet kunnen.

Veelgestelde vragen

Moet een kind in groep 5 alle deelsommen uit het hoofd kennen?

Dat hangt af van wat op school al is behandeld en geoefend. SLO beschrijft voor groep 5 en 6 het vlot uitvoeren van basisbewerkingen tot 100 en het oefenen van deelsommen uit de deeltafels. Vraag de leerkracht welke tafels en deelopgaven de klas nu oefent. Een kind mag een som eerst met een keersom, tekening of materiaal oplossen.

Wat is het verschil tussen verdelen en groepjes maken?

Bij verdelen weet je hoeveel groepjes of personen er zijn en zoek je uit hoeveel ieder krijgt: 24 : 4 betekent 24 voorwerpen eerlijk verdelen over 4 personen. Bij groepjes maken weet je hoeveel er in elk groepje passen en zoek je het aantal groepjes: met 24 knikkers en 4 per zakje vul je 6 zakjes. Beide situaties horen bij delen.

Hoe leg je een rest uit bij een deelsom?

Laat zien wat er na het maken van even grote groepjes overblijft. Bij 17 : 5 passen er 3 groepjes van 5 in 17, want 3 × 5 = 15. Er blijven 2 over, dus de uitkomst is 3 rest 2. In een verhaal moet je daarna bepalen wat die rest betekent: soms blijven voorwerpen over, soms is een extra groep of verpakking nodig.

Wat kun je doen als je kind delen lastig vindt?

Maak de aantallen zichtbaar met bijvoorbeeld fiches, blokjes of een tekening en verwoord samen wat er verdeeld wordt. Koppel de deelsom vervolgens aan de bijbehorende keersom. Oefen met kleine, passende opgaven en vraag de leerkracht welke aanpak in de klas wordt gebruikt. Als de verwarring blijft, kan de leerkracht aangeven welke voorkennis extra aandacht nodig heeft.

In de rubriek Basisschool